Romans en verhalen
Theo Monkhorst schrijft poëzie, proza en toneel. Hij publiceerde drie poëziebundels en losse gedichten in diverse van literaire tijdschriften in Nederland en België. In 2012 verschijnt een poëziecyclus over Afrika.
In 2010 verscheen het toneelstuk ‘King Dik, nar en koning’, dat in een openbare lezing werd gepresenteerd in het Haagse Spuitheater.
Hij publiceerde twee romans: ‘Brieven aan mijn liefste’ en ‘Vuil bloed.’
In 2012 verschijnt een nieuwe roman: ‘De paradox van Tinguely’ en de auteur werkt aan een roman die in 2013 moet verschijnen.
Brieven aan mijn liefste
Novelle in briefvorm, 2005
Lees meer >
Korte teksten
Giaccomo's sterfbed
Lees meer >
Jongetje
Lees meer >
Aantekeningen in de tussentijd
Lees meer >
In memoriam Gerard Fieret
Lees meer >
Opinie
Dagboek
Dagelijkse aantekeningen
Lees meer >>
Nieuwe gedichten
klik hier >
Gedichtenbundels
Poging tot benadering
gepubliceerd in 2000
Lees meer >
City of Glass
gepubliceerd in 1960
Lees meer >
Vuil bloedRoman
Direkt te bestellen via www.dewitteuitgeverij.nl Voor de volledige recensie in het weekblad Den Haag Centraal klik hier
Inleiding van Theo Monkhorst bij de presentatie van de roman ‘Vuil bloed’ Mijn lelijke man was Philip Larkin, een Engelse dichter die ondanks zijn lelijkheid zeer geliefd was bij de vrouwen. Althans dat werd gesteld in een artikeltje uit een krant dat ik las en dat mijn fascinatie veroorzaakte. Ik wist toen nog niet zoveel van deze dichter en naarmate ik meer met hem te maken kreeg ontdekte ik dat hij helemaal niet zo lelijk was en gewoon een enorme charmeur. Maar het kwaad was al geschiedt. Ik moest een boek schrijven over een hele lelijke man die briljant was. Niet zijnde Philip Larkin.Nu heb ik voor een schrijver een grote handicap: ik heb een hekel aan research. Als een roman voor een schrijver tot doel heeft de grenzen van zijn eigen persoonlijkheid te verkennen, zoals Orhan Pamuk beweert, dan heeft het geen zin ergens buiten mijzelf naar gegevens te zoeken om mijn verhaal uit op te bouwen, maar moet ik naar binnen. In mijzelf het beeld van een lelijke man ontdekken en dat beschrijven. Het beste, zo dacht ik, was eerst te schrijven over zijn uiterlijk, dan over zijn innerlijk, vervolgens over zijn jeugd enzovoort. Dus begon ik spontaan met een eerste zin, die luidde: Laat ik eerst je contouren schrijven. Het duurde even tot ik mij realiserende dat ik met deze eerste zin in feite de vorm van het verhaal definieerde. Het zou een boek worden over een schrijver die zich richt tot de hoofdpersoon en daarmee een relatie aangaat. Als het waar is wat Pamuk stelt, zou ik door deze vorm te kiezen – de tweede persoon enkelvoud – dus een emotionele relatie aangaan met de lelijke, maar ook briljante man in mij. Terzijde, om de boeiende paradox te laten zien die zo ontstaat: ik zou een man moeten beschrijven die intelligenter is dan de schrijver zonder hem dommer voor te doen dan hij is, of moet ik als auteur zeggen: dan ik ben? En wat dacht u van het surrealistische verschijnsel dat de hoofdpersoon uiteindelijk de rol van de schrijver overneemt? Dat verzin je niet van te voren, dat komt op je af. Misschien dat nu duidelijk wordt wat ik bedoel in het Aan de lezer dat voorafgaat aan het verhaal. Met uitzondering van de geschiedenis is alles in dit verhaal verzonnen. Er kan dus geen enkele aanleiding zijn om vragen te stellen over de herkomst van de personen, of zij iets met de auteur te maken hebben, of de auteur misschien de hoofdpersoon is of zelfs de schrijver en dergelijke onzinnigheden die lezers vaak belangrijker vinden dan het verhaal zelf. Wie dit verhaal verzonnen heeft of hebben is onbekend. Zelfs de auteur heeft er niet veel invloed op gehad, hoewel niet ontkend kan worden dat het niet had bestaan als hij niet had bestaan. Kortom, het verhaal heeft zich vanaf die eerste zin zelf geschreven. De auteur, schrijver, die niet de schrijver hoeft te zijn, heeft geput uit zijn brein, de geschiedenis, actuele gebeurtenissen, zoals de inval in Irak door DoubleU Bush en de dingen die hij onderzocht toen hij er in de loop van het verhaal tegen aanliep, zoals de heksenprocessen in Salam in 1692, de schaakhistorie rond Bobby Fisher, HIV en aids en de aankomst van vliegtuigen uit Moskou op Schiphol. Alles gebed in Den Haag met de Posthoorn, De Witte , het Voorhout en mijn favoriete café Locus. En niet te vergeten: mijn geliefde platteland van de Picardie.
|
Mijn lelijke man was Philip Larkin, een Engelse dichter die ondanks zijn lelijkheid zeer geliefd was bij de vrouwen. Althans dat werd gesteld in een artikeltje uit een krant dat ik las en dat mijn fascinatie veroorzaakte. Ik wist toen nog niet zoveel van deze dichter en naarmate ik meer met hem te maken kreeg ontdekte ik dat hij helemaal niet zo lelijk was en gewoon een enorme charmeur. Maar het kwaad was al geschiedt. Ik moest een boek schrijven over een hele lelijke man die briljant was. Niet zijnde Philip Larkin.

